biografie
Mijn naam is Henrie Vogel
Ik werd op 2 juni 1957 te Vlaardingen geboren.
Mijn kunstvakopleiding heb ik in Utrecht en Kampen gevolgd.
In 1983 studeerde ik af en ben sindsdien werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar te Kampen.
Toen ik als schilder begon was het vooral het landschap dat me boeide. Het samenspel van wind, lucht, water en planten vormen een uitgangspunt om licht, kleur, verftoets en structuur te onderzoeken. Er ontstonden schilderijen waarin door de sobere en systematische opbouw een verstilde sfeer opgeroepen werd. De landschappen kregen door die minimalistische belangstelling een meditatief karakter.
Ik luisterde veel naar de liturgische muziek van componisten als Bruckner, Fauré, Duruflé, Messiaen, Britten, en Kodaly. Een overstap naar muziek als inspiratiebron lag op een gegeven moment voor de hand. Het resulteerde in een reeks uitbeeldingen van Requiems. Er ontstonden symmetrische orgaanachtige vormen met een warme gloed van kleur en licht.
Na de lichtserie heb ik gekozen voor een heel andere benadering van het schilderen. Het was in de tijd van de MKZ crisis waardoor niet alleen de dieren geraakt werden. Ik begon ruimte te geve aan voorstellingen en associaties, een werkwijze die ik overigens voor die tijd verfoeide, als zijnde anekdotisch en niet voortkomend uit het pure schilderen. Er dienden zich als vanzelf symbolen aan voor leven, groei en ontwikkeling. Er verschenen vissen, vogels, hoofden, ogen, kaarsen, en allerlei halfherkenbare figuren.Toch liet ik ook in die periode de figuratie ontstaan vanuit de schilderkunstige handeling. Die ruimte die ontstond voor toeval en associatie heeft me anders naar beelden doen kijken. De autonome fundamentele benadering van het beeld is ook maar een beeld.
Gewapend met deze nieuwe vrijheden heb ik een serie doeken geschilderd waarin ik begon met foto's van schilderijen van grote meesters uit kunstbladen te scheuren. Dat deed ik ook met artikelen over filosofie en Jazz. Ik scheurde citaten die me aanspraken. Die citaten zijn gehaald uit hun context en gaan een nieuw verband aan. Mijn verband. Zo wordt iets opnieuw niets om vervolgens weer iets nieuws te worden. Het verrast me dat zo een betekenis geboren kan worden.
Rond 2008 heb ik het verhaal en de symbolen verlaten als inspiratie. Het allerdaagse landschap uit mijn polderomgeving werd weer uitgangspunt. Waterspiegels zijn en blijven intrigerend. Het water in een gewone sloot.
Het gewone grijpt me aan in zijn vreemdheid. Het buitengewone van het gewone, dat wat buiten mijn begrip treedt. Ik ben met deze serie weer gaan werken met olieverf. Ik heb een speciale techniek ontwikkeld om de verf op te brengen, in vele lagen met een sterke nadruk op de stoffelijkheid van de materie. Er ontstaat door de gelaagdheid een soort ruimtelijkheid, letterlijk in het oppervlak. Zo’n beeld als weergave van de gewone werkelijkheid maakt het buitengewone voelbaar. De spanning tussen beeld en voorstelling is sindsdien mijn thema.
Door mijn reis naar Israel in het kader van een kunstenaarsuitwisseling is deze thematiek opnieuw gewijzigd. Ik ben daar geraakt door de onheiligheid van dat land. Het is me al eerder opgevallen dat mensen kennelijk leven in een karikatuur van hun eigengemaakte cognitieve concepten maar in Israël levert dat een onleefbaarheid op. In Israël tuimelen de cognitieve concepten over elkaar heen en elk concept vermoordt das Leben der Anderen. En dat gaat al duizenden jaren zo. Het is een land waarin de botsing tussen de grote wereldconcepten voelbaar is in de grond, de lucht, de bomen, de woestijn. Ze leven daar op een continentale breuklijn.
Het heeft me gedwongen stil te staan bij mijn eigen veilige mentale beelden. Het heeft mijn interesse gewekt voor absenties daarin. Geïnspireerd door de inkijk die me vergund werd in het bad van Herodes, in de Masada. In de afgegraven geschiedenislagen kijk je in een soort doos naar beneden en je ziet in een wereld die er niet is. In feite kijk je naar een absentie en dat is ook iets. Die afwezigheid is er wel gek genoeg ook al zien we niets. De afwezigheid is zelfs voorwaarde voor waar je naar kijkt. De absentie is kennelijk dus iets. Het heeft me aan het denken gezet over de rol van het beeld en de gewaarwording. Sinds de 20ste eeuw zijn de kunstenaars het beeld zelf gaan waarnemen als ding. Het beeld werd immers gewantrouwd als instrument voor waarheidsvinding omdat de waarneming steeds hachelijker werd. Ik breng die absenties daarmee in verband. Immers, we ontdekten dat zien een zaak is van concepten en dat beelden in feite staan voor onze onzekerheid van wat er ogen-schijnlijk is. Dat begon met de relativiteit te ontdekken van ruimte en tijd, waardoor onze plaats relatief is geworden. Het onzekerheidsbeginsel is zich gaan nestelen in ons bewustzijn.
Er zijn tijden geweest dat het beeld deed alsof het samenviel met de aanwezigheid maar nu zijn de beelden uiteengevallen in 6 miljard varianten. Voor mij dringt de afwezigheid zich zodanig op dat ik niet anders meer kan kijken naar beelden als beeld van afwezigheid. Het beeld is losgekomen van datgene waar het voor staat en daardoor wordt de absentie manifester. Afwezigheid rukt op! Het heeft me de ogen geopend voor het kijken naar de beeldvorming zelf, dat er dus niet alleen kijkramen staan voor afwezigheden maar dat er nu ook mogelijk wordt om kijkramen te maken van kijkramen voor afwezigheden. Dat is nieuw van onze tijd. Nog niet eerde gezien zo. Eerst werd het bewustzijn losgemaakt van wat het oog ziet, nu maakt het bewustzijn zich ook los van het beeld dat het heeft van wat het oog ziet. Misschien is dat wel echt iets opzienbarends. En dat gebeurt dus nu ook in mij.
Inzien dat beelden slechts afwezigheid laten zien is blikverruimend. Het beeld is in onze tijd een aanwezigheidskiller bij uitstek geworden, nog meer dan het woord. We leven nu in een matrix van beelden over beelden. Gek is dat die nieuwe beelden in hun afwezigheidspresentie een leegte openbaren die verademend is als je leugenbeelden gewend bent. Dat heb ik ontdekt in mijn nieuwe doeken.
Ik ben ruimtes gaan schilderen op waardeloze materialen. Voorlopigheden op board. Een oppervlak is als vlak al een beeld, zodra het maten heeft. Zo gebruik ik standaard maten hardboard 120/60 die ik breek in ongeveer stroken van ongeveer 30 cm. Daarop ben ik het beeld als kijkruimtes gaan onderzoeken. Het begon met een kijkdoos zoals ik zag in dat bad van Herodes. Ik heb de foto van de tegelvloer als basis gebruikt in het zwartwitbeeld wat ontstond. Ik speel met gelaagdheden, met suggesties en met perspectief, de leugentruc bij uitstek. Er ontstond een rare serie kijkruimtes met muziekstandaards en stoeltjes, die zweven in een soort Piranesi-achtige ruimtes. Ook begon ik vogelhuisjes van binnenuit te schilderen, compleet met letterlijk uitvlieggat. Ik ging op board dynamisch geschilderde lege landschappen schilderen door verftoetsen zo neer te zetten dat er een raamgezicht ontstond. Het zijn de autonome verftoetsen die ik in mijn opleiding leerde maken, op de wijze van de concepten van fundamentele schilders. Zo schilderde ik over bestaande prenten uit de kringloopwinkel, inclusief over de lijst. Secondlife.
Deze speelse onderzoekjes maak ik naast de grote arbeidzame doeken. Die afwisseling is prettig en het houdt mijn creativiteit levendig. In die grote doeken verwerk ik de verworvenheden van het spelen maar ik kan natuurlijk op zo’n formaat niet op dezelfde wijze de ruimte en het beeld afbreken. In de grote doeken breek ik ook niet af, ik bouw aan een beeld van een beeld. Het zijn ruimtes in perspectief waarin voordurend de aanwezigheid van het beeld benadrukt wordt in zijn platheid, in zijn perspectief, in zijn verf en oppervlak. Maar door dat beeld zo vreemd te maken en ook op zo’n verstilde manier haast ritueel op te bouwen verschijnt er voor mij toch die dimensie van afwezigheid. Het is de leegte van een niet definieerbare afwezigheid die ik voelbaar probeer te maken, zoals de muziekstandaard en stoel dat doen, maar dan anders. Ik hoop met het beeld die diepe stille emotie te raken, hoe hachelijk de functie van een beeld ook is geworden. Maar ja, wat moet je als beeldenmaker anders dan beelden maken?
Iets over de techniek in de grote doeken: Ik gebruik olieverf en met een paletmes smeer ik een laagje op een strook papier. Met het mes maak ik ‘ruggen’ in de verf en ik druk vervolgens het papier af op het doek. Er blijven verfruggen achter op het doek. Het voordeel is dat ik snel kan werken en met allerlei richtingen kan spelen. Ook kan ik variëren in dikte en grootte. Ik ben een kleurenmannetje en kan dus mijn hart ophalen. Doordat er veel lagen over elkaar gezet worden ontstaat er een vreemde ruimtelijkheid in het oppervlak zelf en ook het licht gaat letterlijk een rol spelen in het doek. Het beeld als beeld wordt daardoor benadrukt.
Het geeft me ook gelegenheid tot het inzetten van toeval omdat het proces niet zo stuurbaar is als met de kwast. Ik kras ook met een driehoek in de verf en verwijder soms hele lagen weer. In dit lange proces van opbouwen en afbreken ontstaat er een genuanceerdheid die ik fijn vind. Het is een vorm van ritualiseren geworden.
Ik begin het beeld zonder plan met een dunne laag waarin ik de ruimte verken en het licht opzoek, door donker te maken. Uiteindelijk kijk ik er veel naar en zoek de spanning op door perspectief en vlak onder druk te zetten. De ruimtes doen denken aan doorkijkjes op lege landschappen, maar ook dat beeld klopt niet.
Kampen, juni 2011

